‘Dialoog tussen generaties in architectuur moet zich richten op nieuwe
toekomstscenario’s’

Het thema dat de ir. Abe Bonnema Stichting voor dit jaar gekozen heeft is dat van de
dialoog.
De dialoog is duidelijk een essentieel onderdeel van het architectenvak; gebouwen komen
tot stand in een voortdurend overleg met een grote groep belanghebbenden. De
regelmatig tegenstrijdige wensen en eisen die daaruit naar voren komen, moeten
uiteindelijk tot een realiseerbaar gebouw leiden. Een architect die goed is in het gesprek,
staat sterk.
Maar over die dialoog wil ik het hier niet hebben. Architecten zijn namelijk nog in een
heel ander gesprek verwikkeld: de minstens zo boeiende dialoog zoals die zich tussen
verschillende generaties afspeelt. Bijna overal opereert de architect in een al aanwezige
gebouwde omgeving die, zeker in een stedelijke context, zijn architectuur mee zal
bepalen. In dat licht gezien, is architectuur een bijzondere discipline waar ook verdwenen
generaties nog actief deel blijven nemen aan het debat. Met bovendien een vreemde
omkering: in onze op vooruitgang gerichte cultuur verliest verouderde kennis razendsnel
zijn waarde, terwijl verouderde architectuur juist aan waarde wint.

Reflectie en actie

Ik heb Hamlet genomen als metafoor voor de dialoog met de vorige generatie. Heel het
drama van zijn handelen wordt erdoor gestuurd. ‘To be or not to be’ is daarbij niet alleen
pijnlijk van toepassing op de architectenberoepsgroep die de afgelopen jaren letterlijk
gehalveerd is. ‘To be or not to be’, is ook de keuze waarvoor onze generatie zich gesteld
ziet ten opzichte van de enorme massa van al bestaande gebouwen. Wat is hier – in
analogie met Hamlet – het dramatische verband tussen reflectie en actie? Het denken in
generaties speelt daarbij een belangrijke rol, net zoals in veel van mijn werk. Ik kan de
reikwijdte van deze dialoog tussen generaties toelichten aan de hand van drie van mijn
projecten.

Zeche Zollverein Essen

Bij het eerste project is de ontmoeting met het verleden grimmig en bijzonder direct. Het
mijngebied van de Zeche Zollverein in Essen werd in de jaren twintig en dertig van de
vorige eeuw ontwikkeld als onderdeel van een zich snel ontwikkelende industrie die de
motor werd van een verwoestende oorlogsmachine. De Zollverein toont hoe verschillend
vorm en inhoud zich kunnen ontwikkelen. Alles is anders behalve het zichtbare beeld dat
juist identiek bleef.
De industriële erfenis van het gebied is indrukwekkend. Hier werd de verhouding tussen
mens en machine opnieuw gedefinieerd. De opdracht aan ons was allereerst om een
masterplan voor het honderd hectare grote gebied op te stellen om daarmee Unesco te
overtuigen het als wereldcultuur erfgoed te classificeren. Dit gebeurde in 2002. Daarna
konden we gaan werken aan een van de merkwaardigste gebouwen in het complex, de
Kohlenwashe. Een gebouw als machine waar de steenkool uit de mijnen via een
ingenieus proces door het gebouw geleid werd, van stenen ontdaan en in fracties
gesorteerd om vervolgens in treinen geladen te worden die onder het gebouw door reden.

We troffen het gebouw in een vergaande staat van verval aan. Binnen waande je je in een
film van Tarkovski, rondlopend in een andere tijd, overal druipend water en zo vervallen
dat iedere stap je laatste kon zijn: een ervaring van poëtisch verval, gevaar en intimidatie.
Ook ruimtelijk vormt het gebouw een uitzonderlijk rijke context. Omdat er nagenoeg
geen bouwtekeningen meer waren gingen we als een soort beeldhouwers in het gebouw
zelf aan het werk. Doorgaans begin je als architect met tekeningen en eindig je met een
gebouw, hier was het omgekeerd. Een transformatieproces waar zorgvuldig restaureren
en conserveren gecombineerd werd met toevoegingen die nadrukkelijk eigentijds zijn.
Dit bouwproces vormde waarschijnlijk het laatste moment dat er in het gebouw nog hard
gewerkt werd. De overgang van de bouwvakkers, voornamelijk Russen, Bulgaren en
Roemenen, naar de huidige bezoekers is veelzeggend. Een totale ‘Umwertung’, van een
cultuur gericht op productie naar een cultuur gericht op consumptie. Spieren vervangen
door buiken.

Parijs, Les Halles

Een tweede voorbeeld speelt zich af in Parijs bij de Hallen, een gebied waar al generaties
lang aan gesleuteld wordt. Het bekendste voorstel is ongetwijfeld het plan Voisin van Le
Corbusier. Een duidelijker voorbeeld van hoe verschillende generaties over de stad
denken, is niet eenvoudig te geven. Nu kennen we het gebied voornamelijk als het
enorme winkelcentrum dat vier lagen ondergronds gaat en zich daar vermengt met de
grote RER- en metrostations. Verborgen onder de grond bewegen zo’n miljoen reizigers
per dag. Viermaal zoveel als in Amsterdam Centraal, dat ongeveer 250.000 reizigers per
dag heeft.
De oorspronkelijke Hallen – in de ogen van onze generatie in alle opzichten prachtig –
werden door de toenmalige generaties nadrukkelijk als de rotte plek van de stad gezien.
De daadwerkelijke verandering werd begin jaren zestig van de vorige eeuw via een
geheime prijsvraag door De Gaulle in gang gezet. Dat gebeurde in een geheime vorm van
aanbesteden die we, vermoed ik, nu niet meer kennen. De wijze waarop de architecten
hun plannen tegelijkertijd met maquettes mochten presenteren, illustreert niet alleen de
vernederende positie waarin je je als architect telkens weer bevindt. Als je de ingediende
plannen goed bestudeert, is het ook duidelijk dat er in hun hoofden nog geen twijfel
bestaat over de superioriteit van hun werk ten opzichte van dat van vorige generaties.
Die overtuiging kantelde tijdens de planontwikkeling van dit gebied, eigenlijk op het
moment dat een heel tijdperk kantelde. De opstand van mei 1968 is een begrip geworden.
Als bijproduct van de opstand richtten de protesten zich ook tegen de sloop van de oude
hallen. Tevergeefs. In het tumult van alle maatschappelijke veranderingen ging ook het
vanzelfsprekende geloof in de moderniteit, dat de Franse cultuur zolang gekenmerkt had,
ten onder.

Onze interpretatie van de geschiedenis van de Franse moderniteit hebben we in een
tijdsdiagram proberen weer te geven. Met als startpunt de wereldtentoonstellingen met
onder meer de bouw van de Eifeltoren en 1968 als het jaar waarop het enthousiasme voor
het modernisme als drijvende kracht verdween en in Parijs alleen nog overleefde in de
vorm van de ‘Grand Projets’, als een artificiële dopage van de overheid.
Voor de Hallen betekende dit, dat terwijl de bouw van de RER-stations op de bodem van
een onwaarschijnlijk grote en diepe kuil al begonnen was, eigenlijk niemand meer wist
wat er verder moest gebeuren. Besloten werd om van dit ‘Grand Projet’ een onzichtbaar
project te maken. Het gigantische gat werd gevuld met winkels en vervolgens zorgvuldig
afgedekt met een park. Een mentaal proces dat grote overeenkomsten vertoont met een
eerder beschreven zondeval. Het park als vijgenblad dat een plots besef van naaktheid
moest verhullen.
In ons prijsvraagvoorstel in 2003 hebben we gekeken of we de ondergrondse lagen
zichtbaar konden maken door ze af en toe naar boven te buigen in de vorm van paviljoens
in het park, als ambassadeurs van een verder verborgen onderwereld. Een ontwerp
waarmee we de prijsvraag bijna wonnen.

Ruim een jaar nadat we dit ontwerp gemaakt hadden, keken we nog eens naar het plan en
viel ons plotseling een vreemde typologische verwantschap op tussen onze ‘emergences’
en middeleeuwse aanvalstorens. We beseften dat het niet alleen om een
vormverwantschap ging, onbewust hadden we waarschijnlijk een stad willen aanvallen
die te mooi was geworden om nog te veranderen. Een stad die geen verandering meer toe
kan laten, is onherroepelijk ten dode opgeschreven.

Centrumplan Almere

Dat brengt me bij het derde project: het centrumplan voor Almere. Het Nederlandse
omslagmoment waar het laatste enthousiasme voor het modernisme verdween, ligt
waarschijnlijk in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de Bijlmermeer gebouwd werd
en al tijdens de bouw emblematisch werd gevonden voor alles wat er mis was in de
stedenbouw en architectuur.
Almere werd ontworpen toen de contouren van de Bijlmermeer zich aftekenden. De
schone lei in de polder werd ingezet als het startpunt van het denken van een nieuwe
generatie: na de Bijlmer moest alles anders. Er werd een soort anti-stad ontworpen waar
grote groene zones ingezet werden om te voorkomen dat de vijf kernen stedelijke trekken
zouden kunnen ontwikkelen. Het liep anders. De nabijheid van Amsterdam met zijn grote
woningnood leidde tot een enorme toevloed aan nieuwe bewoners. Eigenlijk tegen wil en
dank groeide de stad als kool, wat ertoe leidde dat twintig jaar na de eerste paal het roer
alweer om moest. Er werd een prijsvraag georganiseerd voor een stadscentrum, waar
ditmaal om een duidelijk herkenbare stedelijke identiteit gevraagd werd.

Het is in Nederland vrij gebruikelijk om met weinig waardering over Almere te spreken.
Vooral pijnlijk in het besef dat deze stad een wel heel directe afspiegeling van onze eigen
generatie vormt. De vraag die we ons bij deze prijsvraag daarom stelden was of het in
Nederland mogelijk is om met de middelen van vandaag, een herkenbare stedelijke
identiteit te vormen in een stad zonder verleden. De methode die we kozen was er een
van verdichting en menging van zoveel mogelijk functies.
Erik Fisher maakt kaarten waarop hij de gps-informatie van foto’s weergeeft. Op deze
kaarten is te zien waar mensen een foto maken. De rode punten geven de foto’s van
bezoekende camera’s weer, de blauwe de foto’s genomen door camera’s die zich altijd op
die plek bevinden. Het beeld is duidelijk, buiten de historische binnenstad bevindt zich
een woestijn. Blijkbaar is er daar weinig dat het verlangen oproept om er een foto van te
maken.

De enige roman die Oscar Wilde schreef, ‘The picture of Dorian Gray’, gaat over een
man die zo geobsedeerd raakt door zijn eigen schoonheid dat hij die nooit meer wil
verliezen. In een Faustiaans pact met de duivel krijgt hij het gedaan dat zijn verblindende
schoonheid voortaan onaangetast zal blijven. Wel tekent vanaf dat moment iedere vorm
van moreel verval zich af op een geschilderd portret van hem. Het schilderij, de
weerspiegeling van zijn ware natuur, wordt als snel zo gruwelijk dat hij het moet
verbergen.
De relatie tussen Amsterdam en Almere laat zich in deze termen beschrijven. Amsterdam
als stad die eeuwig aantrekkelijk kan blijven dankzij de aanwezigheid van Almere dat
dienstbaar het merendeel van de noodzakelijke nieuwe, goedkope en onaantrekkelijke
gebouwen opneemt. De nieuwe stad als de ‘evil twin’ die niet alleen optreedt als de
redder maar waar op de meest directe en confronterende manier de bijdrage van onze
generatie zich aftekent. Wat dat betreft, kunnen we veel van Almere leren.
Een van de dingen die we zien gebeuren is dat deze stad in al zijn bizarre eigentijdsheid
een verfrissende waarachtigheid ontwikkelt. Een stad die zich bovendien niet hoeft te
verzetten tegen veranderingen. Vorm en inhoud kunnen zich hier gelijktijdig
ontwikkelen.
Wat voor Almere geldt, geldt voor een groot gedeelte van de enorme bouwproductie van
de afgelopen decennia. Veel van die gebouwen gaan nu in aanmerking komen voor groot
onderhoud. Op dit moment richt de focus zich in dat verband terecht op het energiezuinig
maken van die gebouwenvoorraad. Maar wellicht zit er meer in. De vraag die zich stelt is
of bij het renoveren ook plaats is voor een meer fundamentele vorm van transformatie.

Verlangen naar een utopische blik

Wat ik met mijn drie projecten heb willen laten zien is hoe steden leven bij de gratie van
het natuurlijke ritme van wisselende generaties die voortbouwen door alles anders te
willen doen. In dat veelbelovende licht is de huidige staat van al die uitbreidingswijken
als een eerste laag te zien waarop nu doorgewerkt kan gaan worden. Vanuit een
verlangen naar een visionaire utopische blik zoals bijvoorbeeld die van Constant
Nieuwenhuys in zijn ontwerp voor New Babylon.

Onze moderne levens zijn zo onwaarschijnlijk comfortabel geworden dat toekomstvisies
zich vooral op het voorkomen van een dreigend verlies lijken te richten. Aan de architect
om over de toekomst na te denken in termen van winst.

Floris Alkemade

Floris Alkemade (Sint-Oedenrode, 1961) studeerde in 1989 met eervolle vermelding af in
de Bouwkunde aan de Technische Universiteit Delft. Na zijn afstuderen werkte hij bij
O.M.A. (Office for Metropolitan Architecture), een internationaal opererend
architectenbureau met vestigingen wereldwijd. In 2001 werd hij hier partner. Alkemade
richtte in 2008 zijn eigen bureau FAA op met standplaats Sint-Oedenrode en
vertegenwoordiging in Brussel en Parijs. Hij is sinds 2014 lector Architectuur aan de
Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Per 1 september 2015 is Floris Alkemade
benoemd tot Rijksbouwmeester.